
Een trage bries stak op bij het ontwaken van de planten voor een nieuwe dag. Hij rook het. Gretig keek hij uit naar de gevolgen in het meer — geen golven, maar wervelende holtes in het watervlak die de overdrijvende, iets warmere luchtfronten erboven aangaven. Dat zou het teken zijn: daarna zou het niveau wel sneller dalen dan hij lopen kon. De wind hield de lucht bruikbaar voor ademhaling zolang hij het water niet te dicht naderde — ja, nu kon het niet lang meer duren: de plaats waar hij zelf stond lag al onder het niveau van bepaalde plekken in het meer. Het viel droog.
Het verschil nam toe en hij wachtte terwijl de rand spookachtig terugweek. Voorzichtig volgde hij tot een muur van water aan beide kanten over hem torende. Het begon erop te lijken dat het schiereiland eigenlijk een rug vormde dwars door het meer. Des te beter dan.
Feitelijk haalde het de overkant niet. Aan het eind moest hij nog een kwartier wachten tot de rest van het meer in lucht veranderde. In zijn ongeduld ademde hij het spul al haast te gauw na de verandering, maar hij redde het. Nog een paar minuten brachten hem bovenaan de helling bij de hoge plantengroei op de oostoever van het voormalige meer. Tussen de planten zou hij alleen de zwevers in de lucht kunnen zien, dus voor hij ertussen dook wachtte hij even om achterom te kijken over de droge bedding, naar het punt waar hij het water had bereikt — nog steeds geen achtervolgers. Nog een paar zwevers dreven zijn kant uit. Hij tastte naar zijn messen en dacht spijtig aan zijn verloren speren. Och, er was weinig gevaar te duchten van de zwevers achter hem, zolang hij met een behoorlijke vaart verder ging — dat moest hij dan maar doen. Hij dook tussen de struiken.
Het ging niet moeilijk; het spul was meestal buigzaam genoeg om opzij te duwen. Nu en dan moest hij zich een weg hakken en dat was vervelend, niet om de moeite, maar omdat hij dan een mes aan de lucht moest blootstellen. Messen werden wat schaars, en Fagin deed nogal gierig met het overschot.
