De ochtend verliep, weer zonder dat hij achtervolgers zag. Grotendeels legde hij de weg ongewoon snel af, omdat er opmerkelijk weinig wild was — door de bank genomen waren er vier of vijf gevechten op de zestig kilometer, en nu maar een. Toch verloor hij meer dan de gewonnen tijd toen hij een ruwer terrein bereikte dan hij ooit zag. De heuvels waren scherp getand in plaats van rond. Hier en daar lagen rotsblokken en van tijd tot tijd deden ongewoon zware aardschokken deze omtuimelen. Hier moest hij steile wanden op- of afklimmen; daar zigzagde hij door angstig nauwe kloven — zonder de zekerheid dat de andere kant open was. Soms was die dan ook dicht en dan moest hij terug. Toch maakte hij ook hier een spoor, dat lag weer aan de planten. Maar toen hij dat terrein door was vond hij zijn achtervolgingswaan nog onzinniger. Als zijn ontvoerders hem echt daardoor gevolgd waren, verdienden ze het hem te vangen! Maar hoe vaak hij ook zijn aandacht achterom richtte, ze lieten zich niet zien.

Uren gingen voorbij en Nick trok zo snel mogelijk verder.

Een enkel gevecht had hij, maar het kostte nauwelijks tijd. Een zwever zag hem naderen en liet zich haastig naar de grond zakken om hem te onderscheppen. Een kleine was het, zo klein dat zijn eigen arm langer was dan de tentakels. Met een snelle houw van zijn mes opende hij genoeg gasblazen om hem hulpeloos spartelend achter te laten. Hij stak het wapen in de schede en rende door zonder vaart te verliezen; onderwijl wreef hij de arm die even geraakt was door het vergif van de zwever.

De pijn was alweer over en Altair stond hoog aan de hemel, toen hij tenslotte bekend terrein betrad. Al eerder had hij hier gejaagd, ver van de vallei. Hoe snel alles veranderde, het gebied was nog herkenbaar.



12 из 170