
“Nick! Ben jij dat echt? Waar heb je gezeten? We dachten dat je een keer te vaak buiten had geslapen!”
Bij het eerste gerucht had Nick naar zijn messen gegrepen. Maar hij hield in toen hij de stem herkende.
“Johnny! Fijn weer gewoon te horen praten. Wat doe je zover weg? Hebben de schapen alles bij huis opgegeten?”
“Nee. Ik hoed niet, ik jaag.” John Doolittle werkte zich te voorschijn uit de struiken. “Maar waar heb je gezeten? Je bent al weken weg, en we zoeken je al lang niet meer.”
“Jullie zochten me? Dat is niet zo best. Maar ik denk dat het niets uitmaakt, anders had ik dat eerder gemerkt.”
“Hoe bedoel je? Ik weet niet waar je “t over hebt. Waarom zeg je dat het fijn is weer gewoon praten te horen? Welk praten is er nog meer? Vertel op.”
“‘t Is een heel verhaal. Ik moet het trouwens iedereen zo gauw mogelijk vertellen. Ga mee naar huis. Geen zin het tweemaal te vertellen.” Hij wendde zich naar het dal dat ze hun ‘thuis’ noemden, zonder op antwoord te wachten. John liet zijn speren zakken en volgde. Ook zonder het noemen van moeilijkheden zou hij het verslag niet willen missen. Uitgerust als hij was had hij nog moeite de weergekeerde verkenner bij te houden. Nick scheen haast te hebben.
Onderweg kwamen ze nog twee van de groep tegen, Alice en Tom, die een kudde hoedden. De dringende, haastige wóórden van Nick maakten dat ze hem volgden naar het dorp, zo snel als de kudde toeliet.
