Raeker deed of hij de vraag niet hoorde, al wist hij hoe belangrijk de spreker was; maar hij had geen tijd voor praatjes. Hij moest handelen. De wanden rondom waren gevuld met Fagins beeldschermen en alle toonden de krioelachtige gedaanten van de denappelvormige wezens die het dorp aanvielen. Voor hem zat een microfoon met een verend contact, zodat een onderling gesprek in de regelkamer de vrienden van de robot niet kon bereiken.

Zijn vinger hing boven de knop, maar hij raakte hem niet. Hij wist eigenlijk niets te zeggen.

Alles wat hij Nick via de robot had gezegd was volkomen waar; er was geen heil in een gevecht. Jammer genoeg was dat gevecht al begonnen. Zelfs al was Raeker in staat geweest goede raad te geven voor de verdediging van het dorp, dan was het nu te laat. Een mens kon de verdedigers niet eens meer van de aanvallers onderscheiden. Speren zeilden flitsend snel door de lucht — een lichte worp komt niet ver in een zwaartekrachtveld van 3G — en bijlen en messen schitterden in de vlammen.

“Wel, het is een prachtig gezicht.” Dezelfde schelle stem die een minuut eerder de vraag stelde liet zich weer eens horen. “Die vuren daar beneden lijken wel helderder dan daglicht.” De onverschillige toon maakte Raeker woest, want hij stond lang niet onverschillig tegenover de nood van zijn vrienden. Toch kwam het niet doordat de spreker zo’n gewichtig personage was, dat hij niet eens zijn beheersing verloor of iets onbehoorlijks zei. Totaal onbedoeld had de toeschouwer hem iets ingegeven. Zijn vinger drukte op de microfoon-knop.

“Nick! Kun je me verstaan?”

“Jawel, Leraar.” In zijn stem bleek niets van de ontzaglijke inspanning die Nick leverde. Zijn stemorganen waren niet zo nauw verbonden met de ademhaling als bij een mens.

“Mooi. Baan je zo snel mogelijk een weg naar de dichtstbijzijnde hut, allemaal. Verdwijn uit mijn gezicht. Als je de hut niet haalt, kruip dan achter een houtstapel of zoiets — onderaan de heuvel als het niet anders kan. Geef het door als dat je allemaal is gelukt.”



22 из 170