
“We proberen het.” Nick had geen tijd om meer te zeggen. In de regelkamer konden ze alleen toekijken, al hingen de vingers van Raeker alweer boven een reeks andere schakelaars op het regelpaneel voor hem.
“Een van hen heeft het gehaald.” Weer was het de hoge stem en nu moest Raeker wel antwoorden.
“Ik ken ze al zestien jaar maar ik kan ze nu niet van de aanvallers onderscheiden. Hoe herkent u ze?” Hij keerde zijn blik even af van de schermen naar de twee Vreemdelingen die boven hem torenden.
“De aanvallers hebben geen bijlen, alleen messen en speren,” verduidelijkte de spreker kalm. De man keek haastig weer op het scherm. Hij kon er niet zeker van zijn dat de ander gelijk had. Je kon maar drie of vier bijlen zien, en de eigenaars waren niet duidelijk te zien in het gewoel. Hij had het gemis aan bijlen bij de aanvallers niet opgemerkt toen ze de heuvel bestegen, op het ogenblik nadat de robot ze zag en voordat de slag ontbrandde. Maar er was geen reden om te twijfelen dat een ander het had gezien. Hij wilde dat hij Dromm en zijn volk beter kende. Hij ging niet in op het commentaar van de slanke reus, maar lette in het vervolg op het blinken van bijlen in het licht. Inderdaad leek het dat ze zich een weg baanden naar de kring van hutten op de heuveltop. Sommigen haalden het niet. De robot zag hoe meer dan een van deze werktuigen, die opeens in wapens veranderd waren, ophielden te zwaaien.
Maar sommigen kwamen er. Een halve minuut lang hield een vierarmige, schubbige gedaante stand voor de deur van
een der hutten, het gezicht naar buiten, en kraakte de kuif van alle aanvallers die te dichtbij kwamen. Drie anderen, zichtbaar gewond, kropen op hem toe en vonden onder zijn krachtige armzwaaien een schuilplaats in de hut. Een bleef in de deuropening; gehurkt met twee speren dekte hij de wachtpost tegen aanvallen van onderuit.
