
Toen vocht een nieuwe verdediger zich een plaats naast de eerste, en samen trokken ze zich terug binnen het bouwsel.
Geen holbewoner scheen van zins te volgen.
“Allemaal binnen, Nick?” vroeg Raeker.
“Vijf van ons. Van de anderen weet ik niets. Alice en Tom zijn vast en zeker dood. In het begin waren ze vlak bij, en ik heb ze al een tijdje niet gezien.”
“Roep eens naar degenen die er niet zijn. Ik moet al gauw iets doen, en ik wil geen van jullie last bezorgen.”
“Ze moeten wel veilig of dood zijn. Het vechten is afgelopen: ik kan je nu veel makkelijker horen. Let niet op ons, doe het maar, wat het ook is. Ik denk dat Snel met zijn mannen op je af komt. Er staan er maar een paar hier buiten de deur, de anderen vormen een kring waar ik jou het laatst zag. Je staat daar toch nog?”
“Ja,” gaf Raeker toe, “en die kring zie ik ook. Een van de grootsten loopt nu op me af. Zorg dat je allemaal gedekt bent — liefst ergens waar geen licht kan komen. Ik tel tot tien.”
“In orde,” riep Nick, “we gaan onder de tafels zitten.” Langzaam telde Raeker tot tien terwijl hij de naderende wezens op het scherm in het oog hield. Op de laatste tel haalde hij een groepshandel over die twintig schakelaars tegelijk sloot; en, zoals Nick later zei: “de wereld vloog in brand.” Het waren alleen de schijnwerpers van de robot, nu al jaren ongebruikt, maar nog steeds in staat van paraatheid. Voor de toeschouwer leek het onmogelijk, dat gezichtsorganen gevoelig genoeg voor de weinige lichtkwanten op de bodem van Tenebra’s dampkring, een dergelijke straling konden doorstaan. De lichten zelf waren ontworpen met het oog op ondoordringbare rook of stof — ze waren vele malen sterker dan de ontvangers van de robot nodig hadden. De aanvallers hadden onmiddellijk verblind moeten zijn, volgens Raekers berekening. Het droeve feit drong tot hem door dat dit niet gebeurde.
Zeker, ze werden verrast.
