“Ja Nick? Wat zegt Snel?”

“Eigenlijk nee. Hij wil niets met dit dorp te doen hebben. Alleen met jou.”

“Heb je hem dan de taalproblemen niet uitgelegd?” “Ja, maar hij zegt dat als ik zijn woorden al kon leren, dat jij dan, als mijn leraar, ze nog veel vlugger moet leren. Zo hangt hij niet af van mensen waarvan hij niet op aan kan of ze vertellen wat je zegt. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Hij wil ons wel hier laten, maar jij moet met hem mee.”

“Begrepen. Geef voorlopig maar toe: het zal de overlevenden van jullie tenminste verdere last besparen. In de nabije toekomst kunnen we Snel misschien nog een verrassing bezorgen. Zeg hem dat ik het doe; ik ga met hem mee naar de holen — ik denk dat hij morgen teruggaat, maar als hij langer wil blijven moet je dat niet tegenwerken. Blijf waar jullie bent als ze gaan. Zoek iedereen die nog leeft en lap ze op — ik geloof dat de meesten gewond zijn — en wacht dan tot ik contact met je opneem. Het kan wel wat duren, maar laat het aan mij over.”

Nick was nogal vlot van begrip en herinnerde zich meteen dat Fagin ’s nachts zonder vuur kon reizen; de regen smoorde hem niet. Hij dacht de bedoeling van de leraar te begrijpen; hij kon het niet helpen dat hij ernaast was, hij had nog nooit van een bathyscaaf gehoord.

Hij dacht even na. “Leraar!” riep hij toen. “Kunnen wij niet beter zo gauw mogelijk verhuizen en een andere plek afspreken om je te ontmoeten, als je vlucht? Hij zal zo zeker als de regen hierheen komen.”

“Maak je daar niet druk over. Gewoon hier blijven, en stel zo gauw mogelijk orde op zaken. Ik vind je wel.”

“Ook goed, Leraar.” Raeker leunde weer achterover en knikte traag.

De Drommiër had zeker heel wat keer op aarde verbleven; hij legde de houding van de man direct goed uit. “U lijkt me heel wat vrolijker dan een paar minuten geleden,” merkte hij op. “Ik neem aan dat u een uitweg ziet.”



29 из 170