
“Ik geloof het wel,” zei Raeker. “Ik was de hele bathyscaaf vergeten tot ik hem daarnet noemde. Ik besefte toen meteen dat met hem daar eenmaal beneden al onze zorgen voorbij waren. Het nadeel van die robot is dat hij kruipen moet en dat zijn spoor kan worden gevolgd. De bathyscaaf, zouden de inboorlingen zeggen, kan vliegen. Hij heeft grijpwerktuigen en als de bemanning afdaalt kunnen ze gewoon op een nacht de robot opnemen en ermee wegvliegen van de rots. Dan valt er voor Snel niet veel spoor te zoeken.”
“Heeft Nick dan geen gelijk? Gaat Snel dan niet recht op het dorp af? Ik dacht dat u beter Nicks raad kon opvolgen.”
“Tijd genoeg voor verhuizen als we de robot eenmaal hebben. Als ze het dorp eerder verlaten valt het lang niet mee ze te vinden, hoe zorgvuldig we ook van te voren een plaats afspreken. Het gebied is nog niet goed in kaart en wat er ingemeten is blijft niet lang in kaart.”
“Hoezo? Dat klinkt nogal vreemd.”
“Tenebra is nogal vreemd. De korst heeft een diastrofisme als het weer op aarde. De vraag is niet of het morgen regent, maar of je dal morgen geen heuvel is. Een ploeg geofysici trappelt van ongeduld om met de bathyscaaf af te dalen en in nauw contact met Nicks groep aan het werk te gaan. De oorzaak weten we — de dampkring is voornamelijk water omtrent de kritische temperatuur, en silikaatgesteente lost vrij snel op in die omstandigheden. Elke nacht koelt het er genoeg af om een deel van de dampkring vloeibaar te maken, dus spoelt telkens voor bijna twee aardedagen de korst feitelijk naar zee, alsof hij van suikergoed is. Met een driemaal grotere zwaartekracht aan het trektouw is het geen wonder dat de korst zich telkens moet aanpassen. “Nou ja, alles is nu wel rond. Het duurt weer twee dagen voor het daar ochtend wordt, en ik zie niet in dat er voor die tijd wat gebeurt. Mijn aflosser zal hier zo zijn. Als hij er is wilt u misschien met mij de bathyscaaf bekijken.”
