
“Dat vind ik erg interessant.” Raeker had de indruk dat de Drommiërs een hoogst beleefd slag waren, ofwel dat Aminadabarlee om die eigenschap voor zijn diplomatieke post gekozen was. Die indruk zou van korte duur zijn.
Helaas moest het bezoek aan de bathyscaaf even wachten.
Toen Raeker en de Drommiër bij de nis kwamen waar anders het kleine veerschip naar de Vindemiatrix rustte, vonden zij die leeg. Navraag bij de dienstofficier — van het schip, niet van de robot: de organisatie was gescheiden — onthulde dat het naar buiten gebracht was door de man die op Raekers verzoek Aminadorneldo rondleidde. “De Drommiër wilde de bathyscaaf zien, doctor, en die jonge Easy Rich ook.”
“Wie?”
“De dochter, die Raadsheer Rich meesleept. Excuus van die heer bij u. Politieke inspecties zijn best als het bij een inspectie blijft. Maar als ze er een uitje voor hun kroost van maken…”
“Ik heb mijn zoon mee,” merkte Aminadabarlee op.
“Weet ik. Maar er zit verschil tussen iemand die oud genoeg is om op te passen en een kind dat met z’n vingers aan allerlei open bedrading wil komen…” De officier mompelde wat verder en schudde zijn hoofd. Hij was een technicus; Raeker vermoedde dat het gezelschap kort geleden in de generatorhal was geweest, maar hij vroeg het niet.
“Hebt u enig idee wanneer het veerschip terug is?” vroeg hij. Hij haalde de schouders op. “Nee. Flanagan liet zich leiden door het kind. Hij komt wel terug als hij moe is. U kunt hem bereiken, natuurlijk.”
“Goed idee.” Raeker ging voor naar de verbindingskamer van de Vindemiatrix, zette zich aan een scherm en drukte de kode van het hulpschip. Het scherm lichtte spoedig op en toonde het gezicht van Kristaltechnicus Tweede Klas Flanagan, die knikte toen hij de bioloog zag.
“Hallo, doctor. Wat kan ik voor u doen?”
“We vroegen ons af hoe laat u terugkwam. Raadsheer Aminadabarlee wil ook graag de bathyscaaf zien.” De pauze van twee tellen, doordat het sein die tijd nodig had om heen en terug te gaan tussen Vindemiatrix en hulpschip, merkte Raeker nauwelijks op; hij was eraan gewend. De Drommiër had minder geduld.
