
“Ik kan altijd terugkomen en u ophalen. Mijn klanten zijn druk bezig in de “scaaf’.” Raeker was wat verbaasd.
“Wie is er bij hen?”
“Ik was er bij. Maar ik weet er niet zoveel vanaf, en ze beloofden me niets aan te raken.”
“Voor mij klinkt dat niet zo veilig. Hoe oud is dat meisje Rich? Zo’n twaalf jaar?”
“Ja, zowat. Ik zou haar niet alleen gelaten hebben, maar de Drommiër was erbij en die zei dat hij op zou passen.”
“Toch vind ik…” verder kwam Raeker niet. Vier stel lange, vliezige, stalen vingers grepen zijn schouder en bovenarm en het smalle hoofd van Aminadabarlee schoof naast hem voor de camera. Een paar geelgroene ogen staarden naar het beeld en de diepste stem die Raeker ooit van Drommische stembanden hoorde sneed door de stilte.
“Het kan zijn dat ik uw taal minder beheers dan ik dacht,” waren zijn woorden. “Begrijp ik het goed dat u twee kinderen onbeheerd in een ruimteschip hebt gelaten?”
“Nou, kinderen meneer,” protesteerde Flanagan. “Het meisje is oud genoeg om zinnig te zijn en uw eigen zoon is nauwelijks een kind. Hij is zo groot als u.”
“We groeien al tot volle lichaamslengte binnen een jaar na de geboorte,” snauwde de Drommiër. “Mijn zoon is vier. Maatschappelijk is dat zoveel als zeven jaar voor een mens. Ik had de indruk dat menswezens een vrij bewonderenswaardig ras vormden — maar verantwoordelijkheid geven aan een persoon zo dom als jij eruit ziet, dat duidt op sociale normen zó laag, dat ze niet zijn te onderscheiden van barbarij. Als mijn zoon ook maar iets overkomt…” Hij stokte; het gezicht van Flanagan was uit het beeld verdwenen en hij had de laatste zinnen van Aminadabarlees kastijding gemist. Maar de Drommiër was nog niet klaar.
