Toch zat hij niet zomaar te wrokken: hij dacht inderdaad na. Voor het eerst in jaren twijfelde hij ernstig aan een besluit van Fagin. Het leek belachelijk dat de Leraar zonder hulp uit het holendorp kon ontkomen. Tijdens de aanval had hij Snels mensen niet aangekund en als hij al enige macht had die Nick nog niet kende, was dat zeker het moment geweest die te gebruiken, ’s Nachts ontsnappen hielp niet. Ze zouden zijn spoor volgen en hem ’s morgens alweer vangen.

Maar wacht eens. Wat konden de holbewoners Fagin eigenlijk doen? Het harde witte spul waarmee de Leraar bedekt was — of van gemaakt was, zover Nick wist — kon wel eens bestand zijn tegen messen en speren. Die vraag was nooit bij Nick of zijn vrienden opgekomen. Misschien was Fagin nu zo gewillig uit angst voor zijn mensen; misschien was hij van plan actief te worden als hij alleen was.

Het zou prettig geweest zijn het met de Leraar te bespreken buiten Snel om. Het opperhoofd kon het natuurlijk praktisch niet afluisteren, want hij kende geen Engels. Maar hij zou begrijpen dat er iets besproken werd, en was best in staat om het uitvoeren van een plan te verhinderen. Stel dat je Snel buiten gehoorsafstand kon lokken — maar als dat mogelijk was, waren alle problemen opgelost. De kern van het probleem lag erin dat Snel zich niet liet paaien.

Goed, het was nacht en het regende dus. De invallers werden momenteel beschermd door de dorpsvuren. Toch, bedacht Nick, beschermde niemand de vuren zelf. Hij keek even omhoog naar de tien tot vijftien meter brede regendruppels die onafgebroken uit de zwarte hemel aandreven en volgde er een tot een punt, een tweehonderdvijftig meter boven zijn hoofd. Daar verdween hij, spookachtig vervagend waar hij de stijgstroom van de dorpsvuren raakte. De druppels recht boven hen bezorgden geen last — niet aan Fagins dorp.



34 из 170