Zo langzamerhand waren ruim de helft van de randvuren gedoofd, de meeste in de buitenste kring. Een stuk of twee van de binnenste waren ook uit en Nick voelde al iets van onbehaaglijkheid bij de opeengedrongen holbewoners. Toen de laatste buitenvuren doofden ging er een gemompel door hun rijen en Nick lachte in zijn vuistje. Snel kon wel eens een beetje moeite hebben met zijn mannen, nu hun bescherming tegen de regen uitviel en er geen holen voorhanden waren. Als het gemopper doorging, moest het opperhoofd wel iets doen. Voorzover Nick het zag kon hij alleen hem om hulp vragen, anders niet. Dat zou zijn gezag nogal een deuk geven.

Maar Nick onderschatte de grote kerel. Opeens blafte zijn stem in de buurt van de robot een reeks bevelen, en gehoorzaam rende een tiental mannen uit de rand van de groep naar een vuur dat nog brandde. Nick zag tot zijn verdriet hoe ze daar stokken raapten van de kleine voorraad ernaast, de einden ontstaken en ze meenamen naar de gedoofde hopen. Met de fakkels brandden er drie alweer gauw. Blijkbaar sliepen de holbewoners thuis niet de hele nacht: iemand had zijn vuurtechniek voldoende gevolgd om er een idee van te krijgen. Als ze nu ook iets wisten van stoken… Ze wisten het. Er werd meer hout op het vuur gelegd. Maar tevreden zag Nick dat het veel te veel was; hij hoefde niet lang te wachten voor de kleine voorraad naast elk vuur was uitgeput. De nu als razend gloeiende hoofdvoorraad schenen de holbewoners te houden voor nog een kampvuur. Snel moest wel gauw beslissen als de reserve op was.

En dat kon hij. Gelukkig was het Nick gelukt wakker te blijven, want Snels mannen kondigden hun komst niet aan. Ze kwamen gewoon.

Ze waren ongewapend, wat Nick nogal verbaasde, maar ze naderden de hut zonder aarzelen, net alsof ze verwachtten dat hij opzij zou gaan. Dat deed hij niet en ze hielden halt, de voorste haast een speerlengte van hem af. Misschien wilde hij iets zeggen, maar Nick begon.



36 из 170