
De andere twee stonden al overeind. “Prima,” zei Jim. “We steken fakkels aan en geven ze door wanneer je maar roept. Ga je er mee steken of gooien? Ik heb nooit over een gevecht op deze manier gedacht.”
“Ik ook niet, tot nu toe. Eerst wil ik steken, geef me dus lange. Als ik ga gooien, wil ik echt korte — we kunnen niet hebben dat ze teruggooien en dat gaat niet als ze ze niet kunnen oprapen. Daar zijn ze niet te dom voor — niet bij een lange dagreis!”
Jim en Nancy maakten een gebaar van instemming en begrip en zetten zich aan de stapels brandhout die de vloer haast bedekten. Het vuur brandde vlak bij de deur. Nick ging er weer staan met de anderen aan weerskanten van het vuur, waar ze hem de fakkels zo snel als hij ze hebben wilde konden aanreiken. Alles was in gereedheid toen de groep bij de hut terugkwam.
Hij was nu wat groter, Snel was er zelf bij. Ze naderden tot op vijf meter en Snel was kort en ter zake.
“Als je ons niet bij het hout laat, zullen mijn messen voor je zorgen. Je weet wat ik bedoel.”
“Ik heb het gezien,” gaf Nick toe. “Daarom wil ik niets met je te maken hebben. Als je dichterbij komt, moet je het zelf weten.” Nog nooit had hij Snel onzeker zien aarzelen maar nu scheen het opperhoofd de zin van Nicks woorden toch even af te wegen. Toen was hij weer helemaal zichzelf.
“Goed dan,” zei hij en schoot naar voren met vier speren langs zijn voorarmen.
Nick moest gelijk zijn krijgsplan opgeven: de speren waren langer dan zijn fakkels. Hij wist de punten opzij te slaan voor ze hem troffen, maar hij kon Snel niet raken al waren de speren uit de weg. Zijn haat voor Snel verlamde even zijn verstand en hij smeet de beide linkerfakkels naar de borst van de reus.
Snel dook ineen, net op tijd. De mannen achter hem stonden dicht opeen en de binnensten konden niet snel genoeg uitwijken. Een pijnlijk gejammer uit perse kelen weerklonk toen de toortsen doel troffen en gloeiend kool naar alle kanten strooiden. Het opperhoofd sprong achteruit buiten speerbereik en nam weer een aanvalshouding aan.
