
Er was dus weinig reden om bezorgd te zijn over de gevolgen van een aardbeving voor het kostbare toestel. Van veel meer belang was het verschijnen van dierenleven. De meeste wezens waren klein, maar niettemin fascinerend, voorzover je dat kon opmaken uit het gedrag van de robot. Hij bestudeerde alles dat zich vertoonde, zo dichtbij mogelijk. Meestal schenen ze een schubbig pantser te hebben, en acht poten. Sommige, leek het, leefden van de plaatselijke plantengroei; andere — van elkaar. Op het laatst, toen het geraamte weg was, besteedden de bestuurders lange tijd hun aandacht alleen aan de dieren. Het onderzoek werd een paar maal onderbroken, maar dat was omdat de verbinding werd verbroken, niet door een of andere afleiding. Het ontbreken van zichtbare details op het oppervlak had verhinderd dat de mannen Tenebra’s omwentelingstijd precies konden meten en hun schip ging verscheidene keren ‘onder’ wat betreft het betreffende gebied. Proefondervindelijk wisten ze echter langzamerhand de onzekerheid van Tenebra’s dag op te lossen en tenslotte verdween de onderbreking.
Het idee om een planeet met driemaal de diameter van de aarde te exploreren zag er nogal belachelijk uit, nu het uitgevoerd werd met een enkele machine. Was dat inderdaad hun plan geweest, dan was dat zeker belachelijk. Maar de mensen hadden iets anders in de zin. Eén machine is niet veel; een machine met een ploeg helpers, vooral als die ploeg een deel is van een wereldwijde beschaving, is heel iets anders. De bestuurders hoopten vurig ter plaatse hulp te vinden — ondanks de nogal uitzonderlijke omgeving waarin de machine was gevallen. Ze hadden ervaring, en wisten zo’n beetje hoe het leven zich in het heelal voltrok.
Hoe dan ook, weken verliepen, en daarna maanden, zonder enig teken van leven met meer dan een spoor van een zenuwstelsel. Hadden de mannen iets begrepen van de werking van de lensloze, stekelige ‘ogen’ van het gedierte, dan hadden ze misschien meer hoop gekoesterd.