
Het bleek een groot wezen toen het eenmaal opdaagde. Het mat ruim tweeëneenhalve meter lang, en moest op die planeet meer dan een ton wegen. Het nam de plaatselijke gebruiken in acht betreffende schubben en het aantal ledematen, maar het liep rechtop met twee van die aanhangsels, leek de volgende twee te verwaarlozen en gebruikte de bovenste vier om te grijpen. En dat verried zijn verstand: hij droeg twee lange en twee korte speren, elk met een kundig afgeschilferde stenen punt, kennelijk klaar voor onmiddellijk gebruik.
Misschien dat steen het mensenpubliek teleurstelde; of misschien herinnerden ze zich wat er hier met metaal gebeurde en vermeden een al te voor de hand liggende conclusie over het beschavingspeil. In ieder geval sloegen ze de inboorling gespannen gade.
Dit ging gemakkelijker dan je denken zou. Het huidige gebied lag kilometers van het oorspronkelijke landingspunt en was aardig wat ruwer. De planten waren hoger en wat minder bros, al was het nog volstrekt onvermijdelijk dat de kruipende robot een zichtbaar spoor maakte. De mannen meenden eerst dat de hoge planten de betrekkelijk kleine machine voor de inboorling verborgen hielden. Toen bleek opeens dat het wezen zijn aandacht aan iets heel anders besteedde.
Hij verplaatste zich langzaam en probeerde kennelijk zo weinig mogelijk spoor achter te laten. En hij hield er rekening mee dat het ondoenlijk was geen spoor te maken. Nu en dan stopte hij om een eigenaardig bouwsel te vlechten uit de takken van een van de zeldzamere, buigzame planten en scherpe stenen lemmetten. Die scharrelde hij tevoorschijn uit de schijnbaar onuitputtelijke voorraad in de grote leren zak, die om zijn schubbige lijf hing.
