Tenslotte kon het wezen niet reizen zonder spoor; bovendien naderde de nacht, dus ver zou hij niet komen. Men kon veilig aannemen dat het de gewoonte van Tenebra’s andere dieren deelde, om enkele uren na het vallen van de nacht hulpeloos neer te storten. Trouwens, het bekijken van de heuveltop kon niet lang duren. De robot wachtte tot de inboorling uit het gezicht was en kroop toen langs de helling naar de geul. Deze voerde naar een ondiepe krater, al had de heuvel verder niets weg van een vulkaan. Op de bodem van de krater lagen misschien een honderd ovalen als die de inboorling hier net had gebracht. Ze lagen keurig in een rechte lijn, maar verder leken ze nog het meest op losse stenen, van alles wat de mannen tot nog toe op Tenebra hadden gezien. Hun ware aard leek zo vanzelfsprekend dat men geen poging deed er een te ontleden.

In deze fase moet een vrij lange, levendige discussie zijn gevoerd. Een vrij lange tijd deed de robot niets. Toen verliet hij de krater en ging de heuvel af. Hij zocht zich behoedzaam een weg door het mijnenveld in het spoor van de inboorling en begaf zich op weg.

Dit ging niet zo eenvoudig als overdag, want het begon te regenen en het uitzicht werd telkens belemmerd door de druppels. De mannen waren het er eigenlijk nog niet over eens of het bij een nachtelijke tocht beter was de dalen te volgen en onder water te blijven, of de toppen en ruggen aan te houden om nu en dan te kunnen zien; maar nu deed dat er niet toe. De inboorling had er niet bij stilgestaan en richtte zijn weg zoveel mogelijk in een rechte lijn. Het spoor liep vijftien kilometer verder en eindigde abrupt op een open plek voor een met holen bezaaide rotswand.

Details waren niet best te zien. Niet alleen viel er nog steeds regen, maar het was feitelijk volstrekt donker, zelfs voor de detectors van de robot. Dit moet weer een discussie hebben uitgelokt: het duurde bijna drie minuten voor de machine zijn lichten ontstak en ze even over de rots liet spelen.



8 из 170