
In deze fase moet een vrij lange, levendige discussie zijn gevoerd. Een vrij lange tijd deed de robot niets. Toen verliet hij de krater en ging de heuvel af. Hij zocht zich behoedzaam een weg door het mijnenveld in het spoor van de inboorling en begaf zich op weg.
Dit ging niet zo eenvoudig als overdag, want het begon te regenen en het uitzicht werd telkens belemmerd door de druppels. De mannen waren het er eigenlijk nog niet over eens of het bij een nachtelijke tocht beter was de dalen te volgen en onder water te blijven, of de toppen en ruggen aan te houden om nu en dan te kunnen zien; maar nu deed dat er niet toe. De inboorling had er niet bij stilgestaan en richtte zijn weg zoveel mogelijk in een rechte lijn. Het spoor liep vijftien kilometer verder en eindigde abrupt op een open plek voor een met holen bezaaide rotswand.
Details waren niet best te zien. Niet alleen viel er nog steeds regen, maar het was feitelijk volstrekt donker, zelfs voor de detectors van de robot. Dit moet weer een discussie hebben uitgelokt: het duurde bijna drie minuten voor de machine zijn lichten ontstak en ze even over de rots liet spelen.
