Louis begreep dat dit een buitenaards wezen was. In die platte hoofden was geen plaats voor hersenen. Maar hij zag wel een bult zitten tussen de aanzet van de twee halzen, op de plaats waar de manen een dikke beschermende laag vormden … en toen kwam er een herinnering bovendrijven van honderdtachtig jaar geleden. Dit was een poppenspeler, een Piersons poppenspeler. De schedel en de hersenen zaten onder die bult. Het was geen dier, het wezen was minstens even intelligent als de mens. En zijn ogen — in elk hoofd een, gevat in diepe benen oogkassen — staarden Louis Wu strak aan, van twee kanten.

Louis rammelde aan de deur. Die was gesloten.

Hij was niet opgesloten. Hij kon zo een nummer draaien en verdwijnen. Maar die gedachte kwam niet bij hem op. Je komt niet elke dag een Piersons poppenspeler tegen. Hun ras was al langer uit de verkende ruimte verdwenen dan Louis Wu geleefd had.

Louis vroeg: ‘Kan ik iets voor u doen?’

‘Dat kunt u,’ zei de vreemdeling …

… met een stem die tieners in vuur en vlam kon zetten. Als Louis zich bij die stem een vrouw had moeten voorstellen dan zou dat Cleopatra, Helena van Troje, Marilyn Monroe en Lorelei Huntz tegelijk zijn geweest.

‘Drigg!’ Die verwensing kwam hem nu meer dan ooit gepast voor. ‘D’r is geen gerechtigheid.’ Dat zo’n stem aan een tweehoofdige buitenaardse van onbestemd ras moest toebehoren!

‘Wees niet bevreesd,’ zei de vreemdeling. ‘Weet dat u kunt ontsnappen als het nodig mocht zijn.’

‘We hadden op school afbeeldingen van wezens als u. Jullie zijn al een hele tijd weg … dat dachten we tenminste.’

‘Toen mijn volk uit de verkende ruimte wegvluchtte, was ik daar niet bij,’ antwoordde de poppenspeler. ‘Ik ben in de verkende ruimte gebleven, omdat mijn volk mij hier nodig had.’

‘Waar hebt u zich dan schuilgehouden? En waar op Aarde zijn we eigenlijk?’



4 из 354