Zij werd in haar verdriet niet hechter in de gemeenschap opgenomen, maar daar juist van uitgesloten. Vandaag was iedereen blij, behalve zij. Vandaag loofde iedereen haar ouders; zij was de enige die naar hen verlangde, die liever had gehad dat ze de geneeswijze voor anderen niet hadden gevonden als ze zelf maar in leven waren gebleven.

Haar eenzaamheid was zo groot dat Pipo het vanaf zijn zitplaats kon zien. Novinha trok haar hand zo snel mogelijk los uit die van de burgemeester. Haar tranen droogden op naarmate de mis vorderde en aan het eind zat ze stil en zwijgend als een gevangene die weigert mee te werken met haar overmeesteraars. Pipo vond haar hartbrekend. Toch wist hij dat hij, al deed hij nog zo zijn best, zijn eigen vreugde over het einde van de Descolada niet zou kunnen verbergen, zijn blijdschap over het feit dat geen van zijn andere kinderen hem ontnomen zou worden. Dat zou ze zien; zijn poging om haar te troosten zou nep zijn, zou haar nog verder wegdrijven.

Na de mis liep ze in bittere eenzaamheid tussen de drommen goedbedoelende mensen die haar wreed vertelden dat haar ouders vast en zeker zalig zouden worden, vast en zeker aan Gods rechterzij zouden zitten. Dat is toch geen troost voor een kind. Pipo fluisterde hardop tegen zijn vrouw: ‘Ze zal ons nooit vergeven voor vandaag.’

‘Vergeven?’ Conceição was niet een van die vrouwen die onmiddellijk de gedachtentrein van hun echtgenoot doorhebben. ‘Wij hebben haar ouders toch niet gedood—’

‘Maar wij zijn vandaag allemaal blij, nietwaar? Ze zal ons dat nooit vergeven.’

‘Onzin. Ze begrijpt het trouwens toch niet; ze is nog veel te jong.’

Ze begrijpt het heel goed, dacht Pipo. Begreep Maria niet al allerlei dingen toen ze nog veel jonger was dan Novinha nu?

Met het verstrijken van de jaren had hij haar af en toe ontmoet.



12 из 442